Apr
23

200 jaar Mijntoezicht in Nederland

By Frank Daelmans

Bron: Limburgs Dagblad – 17 april 2010

Het is 200 jaar geleden dat de Franse Mijnwet werd ingevoerd. Een wet die onder meer leidde tot de oprichting van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Op 21 april is het jubileumjaar van de dienst die voor Limburg van groot belang was.

De invloed van Napoleon op ons leven is nog steeds in veel dagelijkse dingen merkbaar. Zo was hij onder andere verantwoordelijk voor het invoeren van een gestandaardiseerde registratie van geboorten, huwelijken, echtscheidingen en overlijdens. In continentaal Europa wordt sinds Napoleon vrijwel overal rechts gereden. Ook lanceerde de ‘Kleine Korporaal’ de Mijnwet van 1810. Nederland viel destijds onder Frans bestuur. De Franse Mijnwet, in dat jaar op 21 april ingesteld, gold daarom ook hier. Voornamelijk Zuid-Limburg kreeg in eerste instantie met deze wet te maken. In deze streek vond immers sinds eeuwen steenkoolwinning plaats. Misschien zelfs wel de eerste kolenwinning op het Europese vasteland.

Domaniale mijn - Kennislink.nl

Domaniale mijn - Kennislink.nl

De allereerste ontginningen van steenkool vonden plaats in het kolenveld van de Domaniale mijn in Kerkrade. Dan hebben we het over de 12e eeuw, toen er op kleine schaal steenkoolwinning plaatsvond in het Wormdal, nabij abdij Rolduc. In de allereerste dagen van de kolenwinning ging het vooral om oppervlakte-werk. Langzaam maar zeker moest men dieper en dieper graven om de kolen te kunnen delven. In de zeventiende eeuw maakten kolengravers schachten van circa veertig meter diep. Met handlieren en rosmolens werden de kolen naar de oppervlakte gebracht.

De mijnwet bracht ingrijpende veranderingen met zich mee. de wet werd ingesteld om voorwaarden te stellen aan de winning van delfstoffen als steenkool, bruinkool, zout, aardolie en mergel. Belangrijker nog was het regelen van de eigendomsrechten, Tot 1810 had de eerlijke vinder de eigendomsrechten, na deze datum kon men alleen de eigendomsrechten verwerven door het verlenen van concessies. De Staat zou vanaf dat moment bepalen wie bevoegd is tot ontginning. Bovendien trad het Rijk op als beschermer van het algemeen belang.

Maar ook de sociale aspecten van de mijnwet zijn niet onbelangrijk. Winning mocht vanaf dat moment alleen plaatsvinden onder leiding van technisch onderlegd personeel, iets wat daarvoor lang niet altijd gebeurde. Mijningenieurs, mijnmeesters en medici werden zodoende verplicht. Verboden werd het om kinderen jonger dan ten jaar in de mijnen te laten werken. Dat was vóór de invoering van deze wet populair, omdat de kleintjes behendig waren en vanwege hun geringe lengte goed in de kleine ruimtes konden werken. Maar ook aan dieren werd gedacht in de Mijnwet. De trekpaarden die de kolenwagens uit de mijngangen moesten slepen, mochten niet te zwaar worden belast.

Waar regels zijn, moest worden gecontroleerd. Een nieuwe functie werd ingesteld en belast met het toezicht op de naleving van de nieuwe regels: de ‘Ingenieur des mines’. In de Franse tijd werd de Nederlandse mijnbouw onder het gezag geplaatst van de ‘Ingenieur des mines’ in Luik. de Nederlandse tak was destijds zeer klein. Ook na de Belgische revolutie in 1830 bleven de Limburgse mijnen nog negen jaar onder het gezag van ‘Luik’. De Belgische staat bestuurde toen in feite het Limburgse mijngebied.

De heer F.D.J. Büttgenbach was per 1 juli 1839 de eerste ‘ingenieur der mijnen’ die zijn standplaats in Nederland had. Zijn aandacht ging deels uit naar de mergelgroeven. Ook de Domaniale Mijn en de kleinere mijntjes in Bleyerheide en Neuprick kreeg hij onder zijn hoede. Büttgenbach was de enige functionaris in dienst van het mijnwezen. Zijn standplaats was Kerkrade, in het administratiegebouw van de Domaniale Mijn. De administratie voerde hij zelf. Brieven en rapporten werden opgesteld in het Frans en in het Duits. Maar de eerste taal beheerst Büttgenbach niet feilloos, zo is na te lezen. Voor zijn werkzaamheden kreeg hij 250 gulden per jaar. In die tijd een flink bedrag. Zo flink dat hem een vergoeding voor reis- en verblijfskosten werd geweigerd.

De dienst wisselde nogal eens van hoofdkwartier. Afwisselend zetelde de ‘Ingenieur der mijnen’ in Kerkrade, Heerlen of Maastricht. In de beginjaren was dat vooral afhankelijk van de woonplaats van de ingenieur. In de tweede helft van de vorige eeuw werd alles anders. In ei 1959 wordt voor de eerste maal gas ontdekt in de Groningse bodem. De groei in de winning van olie en gas in de daaropvolgende periode zorgde ervoor dat de dienst snel werd uitgebreid. Een nieuwe locatie was hierdoor broodnodig. In 1962 werd het pand aan de Apollolaan 9 in Heerlen betrokken. Maar door de ontwikkelingen in de gas- en oliewinning en de daaraan gerelateerde afbouw van de kolenmijnbouw, duurde het niet lang voordat er een dependance in het westen van het land werd geopend. Per 1967 zat de dienst in Heerlen en in Den Haag.

De sluiting van de mijnen zette de vesting van de dienst in Heerlen onder druk. Een verhuizing naar het westen lag in het verschiet, maar die denkrichting kon op felle protesten

Fin des traveaux - Fafchamps - conducteur des mines 1823

Fin des traveaux - Fafchamps - conducteur des mines 1823

rekenen van het Limburgse personeel, dat het Heerlense hoofdkwartier niet wenste te verlaten. Frans Bastin uit Heerlen werkte in die tijd bij het SodM. Hij herinnert zich nog de strijd tegen een gedwongen vertrek naar de Randstad. “Het idee om deze streek te moeten verlate, bracht bij de Limburgse medewerkers van het Staatstoezicht grote onrust teweeg. Daarom zocht het personeel van de vesting Heerlen – in eerste instantie met succes – steun bij de politiek. Als voornaamste argument voerde de politiek aan dat een verhuizing strijdig was met de overeengekomen spreiding van rijskdiensten, waaraan niet mocht worden getornd. De toenmalige minister van Economische zaken, de latere premier Ruud Lubbers, liet op 24 januari 1974 wten dat hij zich sterk zou maken om het SodM voor Heerlen te behouden.”

Ook Tweede Kamerlid Knot zette zich in voor de zaak door in mei 1975 schriftelijke vragen te stellen over de kwestie. In zijn antwoorden bevestigde minister Lubbers min of meer zijn eerder ingenomen standpunt, door onder meer te verklaren dat de vestiging in Heerlen voorhands zou blijven bestaan en dat de ambtenaren die hun werkzaamheden elders in het land moesten verrichten toch in Limburg zouden mogen blijven wonen. “Maar de onrust sloeg weer toe”, herinnert Bastin zich. “eker toen de plaatsvervangend secretaris-generaal Van Oosten en het hoofd van de afdeling personeelszaken Stolk van het ministerie van Economische Zaken in 1983 aankondigden naar Heerlen te komen om aan de medewerkers van SodM uitleg te verschaffen over de stand van zaken. Samnegevat luidde hun boodschap dat van opheffing van de Heerlense vesting geen sprake was en dat overbrengen van werkzaamheden naar Den Haag pas zou geschieden als voor de medewerkers die in Limburg wilden blijven wonen passend werk was gevonden.

Uiteindelijk is op 9 juli 1985 Den Haag de hoofdvesting van Staatstoezicht geworden. Desalniettemin blijven in Limburg nog taken waar het SodM bij betrokken blijft.

Related Posts with Thumbnails
Categories : Nieuws, Onderzoek

1 Comments

1

[...] This post was mentioned on Twitter by Frank Daelmans, Mergelgrotten. Mergelgrotten said: 200 jaar Mijntoezicht in Nederland – http://is.gd/bFe3M (via @bergloperfrank) [...]

Leave a Comment

Get Adobe Flash playerPlugin by wpburn.com wordpress themes