De Drup – Uitleg door Rudi Dortangs
By
Hoe werkt nu zo´n drup, zoals je deze bv. kunt vinden in de Gemeentegrot te Valkenburg.
Een drup ontstaat als water dat in de bodem boven een gangenstelsel zakt niet door het gesteente blijft lopen. Normaal zakt het water door het gesteente en als gangen in gegraven worden door de pilaren, zeker bij zulk poreus gesteente
Uitzonderingen op dit normale verloop zijn onregelmatigheden in het gesteente, dit kunnen ondoordringbare lagen zijn, maar ook scheuren in het gesteente of aardpijpen. Openstaande scheuren zijn bij ons zeldzaam, bij scheuren waarbij het gesteente tegen elkaar gedrukt ligt zal het waterverloop amper invloed hiervan ondervinden (vooral bij een poreus gesteente). Ondoordringbare lagen zijn er bij ons niet echt, de hardgrounds (“tauwlagen”) zullen water slechter doorlaten, ze zijn echter zo onregelmatig en zo vaak gebroken dat niet ver eronder weer een normale waterverplaatsing zal plaatsvinden. Aardpijpen zijn bij ons echter veel voorkomend.
Als men het kalksteenoppervlak vrij graaft ziet men dat het zeer onregelmatig is. Dit wordt daardoor veroorzaakt dat het water dat in door de grond sijpelt zuur is (koolzuur uit de lucht en humuszuren in de bovenlagen) en bij het bereiken van kalk deze oplost. De oplossing gaat langzaam maar voortdurend, maar vooral niet gelijkmatig over het oppervlak. Hierdoor ontstaan aan het kalksteenoppervlak (ook als deze door andere kalkvrije lagen bedekt is) verdiepte gedeelten, waar het water versterkt naartoe loopt (“trechters”). Hierdoor kunnen ook zeer diepe oplossingen ontstaan, de aardpijpen (beter: karstpijpen, omdat ze niet altijd met aarde opgevuld zijn). Er wordt echter niet alleen kalk opgelost, het water met daarin de opgeloste kalk kan onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld het ontsnappen van koolzuurgas) kalk verliezen doordat de kalk uitkristaliseerd. Dit gebeurd vaak ook in de kalk rondom een aardpijp: in het poreuse gesteente wordt kalk afgezet waardoor de kalksteenkorreltjes sterker verkitten en de kalk harder wordt.
Een ervaren blokbreker merkt het harder worden (of stoot met zijn beitel erin) en weet dan dat er een aardpijp komt. Vanwege het gevaar dat het openen van de aardpijp kan opleveren en/of het niet van goede kwaliteit zijn van de kalk rondom een aardpijp laat hij deze kalk vaak staan. Tot zover nog geen drup omdat het water dan hierdoor naar onder wegloopt. Als een aardpijp echter niet tot diep in het gangniveau loopt kan het gebeuren dat men geen komplete pilaar laat staan maar alleen het slechte stuk aan het plafond laat zitten. Het water loopt dan nog steeds makkelijker tot in de aardpijp, alleen is er geen verbinding meer naar beneden. Het water verzamelt zich onderin de aardpijp tot er zich een druppel vormt en deze naar beneden valt (en hiermee dus het natuurlijke verloop voortzet).
Dit is de klassieke vorm van een drup: een stuk kalk dat uit het plafond naar beneden steekt (ook in dit geval). De snelheid van het druppen ligt aan de grootte van de druppels die zich vormen, maar vooral aan de hoeveelheid water dat zijn weg in deze aardpijp zoekt (omdat de aardlagen een redelijke buffer zijn zal het aktuele weer amper invloed hebben, hooguit vertraagd als er zeer langdurige veranderingen zijn). Druppen kunnen natuurlijk ook ontstaan als een aardpijp doorsneden wordt(bijvoorbeeld in de Lacroixberg).
Ze zijn ook kunstmatig gemaakt voor toeristen (Zonneberg, nu kapot), hier is vanuit een zijgang een holte boven het plafond gemaakt waar water in gegoten werd dat dan door het plafond drupte. Het water dat door een aardpijp zakt kan kalk verzamelen als het langs de wand ervan loopt en zal dan niet zo snel de aardpijp door oplossing dieper laten worden. Uiteindelijk zal dit natuurlijk wel gebeuren, afhankelijk van hoeveel kalk er nog onder de punt van de aardpijp zit kan het lang duren voordat er een opening te zien is, hij zal dan echter nog steeds druppen.
Rudi Dortangs is hobby paleontoloog en ontdekker van Bér, de Mosasaurus.