Oct
09

Een vreemd verhaal – Een ontmoeting in de Mergelgrotten

By

Een verhaal verteld door collega bergloper op 9 oktober 2007

Het was op 9 oktober 2001 dat ik met een goede vriend (laat ik hem maar Hans noemen) van plan was naar Ternaaien beneden te gaan. Ik woon op de weg naar de ENCI, dus kwam Hans mij afhalen met zijn fiets. We hebben beide een ‘coleman’ lamp en hadden deze uit voorzorg in een plastic zak gewikkeld zodat deze niet te zeer opviel op straat. Ik had mijn rugzak gevuld met de gewoonlijke bergspullen; Mini-Maglite, 4 broodjes, een blikje fris, kompas, batterijen etc.
We waren van plan om een paar uur rond te dwalen. Ronddwalen klinkt alsof we niet met de weg bekend waren, maar dat was niet zo, ik kwam al sinds ´97 regelmatig in de diverse Sint Pietersberg groeves en ook Hans was geen onbekende in de bergloperswereld.
Het was koud buiten, niet meer dan een graad of 6 en het regende zachtjes ;wij verheugden ons al op de aangename temperatuur van de grotten. Via de lage kanaaldijk en de maasboulevard kwamen we in België op de ‘Rue Collinet’ waar we het bospad links naar boven namen. Het lukt mij nooit om dit pad op te fietsen, dus moest ik te voet verder (Hans lukt het meestal wel, hij is een stuk sportiever, maar ook solidair met iemand die maar 1 maal per maand op de fiets zit.)
Eenmaal boven namen we onze fietsen de berg mee naar binnen en zetten deze ergens rechts in een doodlopende gang. We hadden reeds bij de ingang onze colemans aangemaakt en konden zo direct onze weg vervolgen.
Ternaaien is geen moeilijke groeve, maar er zitten enkele pittige stukken in. We hadden het idee om naar het zuiden te lopen, om daar enkele oude opschriften te zoeken, te bekijken en wellicht te fotograferen.
Al slenterend en kijkend kwamen we na een kwartier op de plaats van bestemming of ten minste op de plaats waar we dachten dat we de opschriften de vorige keer hadden ‘ontdekt’ (ik zeg ‘ontdekt’ tussen aanhalingstekens, omdat het voor ons een ontdekking is, maar niet voor mensen die ons wellicht reeds lange tijd voorgingen).
Helaas, we konden het opschrift niet meer terug vinden ondanks dat we toch zeer zeker waren van de locatie. Potverdorie (uitspraak is gecensureerd), zei ik, altijd hetzelfde, als ik voor een opschrift terug moet komen, vind ik het niet meer terug!! Dat irriteert me mateloos. ‘En nu’, zegt Hans, ‘wat doen we nu’? Laten we maar zoeken naar ‘nieuwe’ opschriften, in de hoop dat we diegene die we zoeken toevallig nog tegen komen.

…Dit is wel een zeer mooi gedeelte’, zei ik, om de moed er in te houden…

Het probleem van onoplettendheid in een groeve (door de hele tijd met je neus omhoog te lopen, op zoek naar opschriften i.p.v. de weg te volgen) is dat we op een bepaald moment niet meer precies wisten waar we waren. Wat heet, we waren in een gedeelte van de groeve waar wij geen van beide ooit waren geweest. Niet dat we nerveus waren, maar meestal krijg ik dan toch de nijging om snel op weg te gaan naar iets van een bekend punt of opschrift.
Eén mogelijkheid is terug op onze schreden te gaan in de hoop een punt van herkenning tegen te komen. Dat leek ons de beste oplossing.
Vreemd genoeg vonden we ook na een kwartier zoeken geen enkel referentiepunt. ‘Dit is wel een zeer mooi gedeelte’, zei ik, om de moed er in te houden. Tja, zei Hans;’Als we de uitgang terugvinden, en de volgende keer weer terugkomen, vinden we ook dit weer niet terug’!
‘Hey, Ik hoor iets’, zegt Hans, ‘daar komt iemand aan’. En ja, in de verte scheen een zwak, flakkerend licht. ‘Laten we er maar eens naar toe lopen’!
Binnen 30 seconden stonden we bij een oudere man, die rustig in een hoekje zat te genieten onder het genot van een pilsje. Hallo, zei ik, mogen we erbij komen zitten? ‘Geen probleem’, zei de oude man, ‘neem een blok en ga zitten’. Terwijl ik ga zitten, bekijk ik de man nogmaals goed in het licht van zijn ‘olielampje’, hij ziet er wel heel erg oud uit. Nog maar een paar plukjes grijs haar kwamen vanonder zijn vilten bruine hoed vandaan en als hij zo oud is als het aantal rimpels in zijn gezicht, dan is hij reeds lang de 80 gepasseert.
Verder droeg hij een lange donkerbruine wollen broek en een soort rijlaarzen.
‘Wat doen jullie hier’?, zegt hij verbaasd, ‘ik zie hier nooit iemand’. We vertellen hem dat we regelmatig de groeves bezoeken en vragen hem met schaamrood op ons gezicht of hij ons later in de richting van de uitgang wil begeleiden. ‘Geen probleem’, zegt hij en begint te lachen, schaam je maar niet hoor, ook ik vergis me nog wel eens, maar na een paar honderd jaar ken je de groeve wel. ‘Een paar honderd jaar?’, denk ik, ‘die man wordt langzaam al seniel’!
‘Was het vroeger anders?’, vraag ik. Nou, de groeve zag er toen natuurlijk precies zo uit, maar al die bonte teksten op de muren, die zag je toen nog niet. Maar ook toen had je genoeg ‘batterave’ die op de muren krasten en dingen probeerden te slopen. Wat dat aangaat is het nu, zeker hier in Ternaaien, nog wat erger geworden. ‘Maar ja, de groeve overleeft iedereen en alles’, zegt hij een beetje triest. Deze gangen zijn er nog wel, zelfs als jullie al lang tot stof zijn vergaan.
Het gesprek wordt er naar mijn mening niet leuker op, dus vraag ik hem hoe hij eigenlijk heet. ‘Noem me maar Pierre’, zegt hij….gewoon Pierre.
Maar kom, ik zal met jullie naar buiten lopen, ik heb jullie al genoeg opgehouden. (Goh, hij kan gedachten lezen)
We beginnen te lopen en na vijf minuten zie ik reeds waar ik ben. ‘Hey Pierre, stop maar, ik weet de weg wel’, zeg ik tegen hem, maar hij verteld mij dat je, als iemand je ondergronds de weg vraagt, men deze persoon moet begeleiden tot aan de ingang, want anders brengt dit ongeluk.
Toen vertelde hij een verhaal over een man die werd vervloekt omdat hij iemand, die hem de weg had gevraagd, niet helemaal naar de uitgang had gebracht en dat deze persoon daarna hopeloos verdwaalde en nooit meer was teruggevonden! Hij was in een donkere zijgang ellendig aan zijn eind gekomen. ‘Zoiets mag nooit meer gebeuren’, zegt hij.
Na nogmaals vijf minuten staan we weer bij de ingang en de zon begint warempel door de wolken te schijnen. Wij draaien ons om, om Pierre te bedanken, maar zien hem nergens staan. ‘Is hij al weg’?, vraag ik Hans, ik heb hem niet zien weglopen! Vreemd zeg, iedereen die de ingangspartij van Ternaaien beneden kent, weet dat je je daar niet kunt verstoppen.
Okay, zeg ik, laten we dit maar gauw vergeten. Niemand wil dit toch geloven. En als ik andere berglopers vertel dat ik me hier verlopen heb, krijg ik het de komende 10 jaar nog te horen.

Een week later waren we weer in Ternaaien. We waren nu goed voorbereid en gingen op weg om de plaats te vinden waar we ‘Pierre’ gevonden hadden (of hij ons!).
Na ongever een half uur zoeken vonden we de plaats waar we met z´n drieën nog geen week geleden hadden gezeten. De drie mergelblokken lagen nog steeds op hun plaats, wat natuurlijk niet vreemd is, in deze ‘uithoek’ komt alleen maar Pierre. Stiekem hadden we gehoopt hem hier terug te vinden en nog gezellig wat te kletsen (en trots te laten zien, dat we de weg nu wel konden vinden) maar hij was er niet.
Terwijl we daar zaten, hadden we het nogmaals over de vreemde verdwijning van Pierre de vorige week. ‘Ik kom er toch niet over uit, hoe het hem gelukt is zo snel weg te komen’, zeg ik. Het was heel vreemd, bijna té vreemd. ‘Ach, stel je niet aan’, zegt Hans, ‘je ziet spoken’!
Aangezien ik meestal niet te lang op de koude mergel blijf zitten, ging ik wat door het ‘kamertje’ snuffelen. Wie weet vind ik nog een bijzonder opschrift. Na een paar minuten zie ik op 2 meter hoogte een tekst in klassiek handschrift staan. Ik vraag Hans die zeker 2 koppen groter is dan ik om eens goed te kijken. Wat daar staat geschreven is wel héél vreemd, want er staat; Pierre, 1 oktober 1701.
Zo´n 10 centimeter lager staat; Pierre, 1 oktober 1801.
Nog 10 centimeter lager staat; Pierre, 1 okto
ber 1901 en je raadt het al, vlak daaronder staat weer zijn naam, maar dan met precies de datum van vorige week; 1 oktober 2001!
Iemand houdt ons ongelooflijk voor de gek, schreeuwt Hans!!! Dit kan niet zijn. Iemand met dezelfde naam die elke 100 jaar op dezelfde plaats komt? Dit is flauwekul!
‘Ik weet het nog zo net niet’, zeg ik, denkend aan het verhaal wat Pierre vorige week vertelde. ‘Vond je ook niet dat hij er vreemd uitzag’, zeg ik tegen Hans. Hij zag er uit alsof hij helemaal niet indeze tijd thuishoorde. Hans begint te lachen. ‘Je haalt je dingen in je hoofd jongen’! Doe me een plezier en vergeet dit hele verhaal.
‘Maar vond je ook niet, dat hij er zo gebrand op was om ons naar buiten te brengen’, zeg ik. Dat verhaal wat hij vertelde over die vloek, dat ging over hem!
Maar Frans kreeg langzaam genoeg van mijn verhalen en begon in de richting van de ingang te lopen. Ik keek nog even rond en toen pakte ik mijn Coleman en liep achter Frans aan, ik had opeens geen zin meer om hier nog langer te blijven. Voordat ik na zo´n honderd meter de bocht omging, keek ik nog eenmaal om en ik weet bijna zeker dat ik er een licht zag flakkeren. ‘Frans, wacht’, zei ik, ‘ik zie daar een licht’.
‘Ja, je doet maar’, riep Frans kwaad, ‘ik ga naar huis’!
In alle stilte zijn we naar huis gefietst en ik ben Frans daarna snel uit het oog verloren. Later hoorde ik dat hij met zijn ouders naar het noorden van Limburg was verhuisd. Dat was het einde van onze vriendschap.

Dit verhaal ben ik nooit meer vergeten en ik ben sindsdien nog vaak in Ternaaien geweest, maar eigenlijk nooit meer in die gang waar ik mijn bijzondere ontmoeting had.

Soms vraag ik me wel eens af wie hij op 9 oktober 2101 naar buiten zal vergezellen.

pixel Een vreemd verhaal   Een ontmoeting in de Mergelgrotten

2 Comments

1

Héél mooi verhaal! Is de precieze plek van de opschriften van Pierre ook bekend?

2

dit is vreemd, Pierre, hij zei ook dat hij de groeve wel naar 100 jaar wel blind naar buiten kan lopen.
100 jaar, de de datums verschillen ook elk 100 jaar, vreemd.
ook de naam pierre komt in alle datums voor.
vreemd is ook dat is vdewenen was bij de ingang een oud persoon is niet snel, die kan je lopend bij houden ook moet je zoeen persoon weg moeten zien lopen.
ik wil het wel eens inspecteren.

Gr, Raymond.

Leave a Comment

*