De Roosburg ramp – nieuw boek en DVD
ByOp 23 december is het precies 50 jaar geleden dat de Roosburg in Zichen instortte. Daarbij kwamen 18 mensen om het leven. Jean Geelen en Vital Medaerts maakten er een film en een boek met unieke foto’s over.
Het onderstaande interview met Vital Medaerts komt uit nieuwsblad.be:
‘Ik vertrek, want ik heb honger’
Film en boek over dodelijke instorting mergelgroeve de Roosburg
Vital Medaerts (84) was reeds een halve eeuw geleden krantenmedewerker en maakte de traumatische nasleep van de ramp van dichtbij mee. Jean Geelen (52) was toen nog een peuter, maar hij is al jaren gefascineerd door de geschiedenis van de gemeente Riemst. Twee jaar geleden gingen ze samen met zes overlevenden en enkele reddingswerkers en dorpsbewoners terug naar de plaats van de catastrofale instorting.
‘Het was een zeer emotionele ervaring’, zegt Jean Geelen. ‘Enkele ervaren grottenlopers gidsten ons. De confrontatie met de verwoesting was beklijvend, want het neergestorte puin lag er nog zoals vijftig jaar geleden. De slachtoffers werden bedolven onder een verwoestende massa van 700.000 kubieke meter mergelblokken en mergelzand. Er waren eerder al instortingen, maar die gebeurden altijd in verticale richting. Nu was er een soort domino-effect van horizontaal vallende wanden en pijlers.’
Dat het zover kon komen, lag in eerste instantie aan de eeuwenlange mergelwinning in de ondergrond van Zichen-Zussen-Bolder, waar reeds in de dertiende eeuw blokken werden uitgehouwen als bouwmateriaal. Dat had twee voordelen: het was een goedkope én goed isolerende grondstof. De ongecontroleerde exploitatie leidde tot een ondermijnd gebied van bijna 130 hectaren. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werden de reusachtige krochten vanwege de constante temperatuur en vochtigheidsgraad gebruikt voor de champignonteelt. Zo’n twintig bedrijven uit de buurt deden forse investeringen om er hun kweekbakken en compostinfrastructuur te installeren.
‘Op die fatale 23ste december waren er zo’n honderd mensen in de Roosburg’, preciseert Vital Medaerts. ‘Ze waren vroeg begonnen met de pluk omdat de vraag naar champignons in de kerstperiode groter was dan anders. Sommigen waren ongerust omdat er mergelblokken uit het plafond gevallen waren en omdat de papiertjes op de barsten – die werden daarop geplakt om de beweging van de berg te kunnen volgen – gescheurd waren. Toch werd er gewerkt alsof er niets aan de hand was, want er moest geld in de la komen. Voor heel wat van die mensen was champignons plukken een bijverdienste. Vaak waren dat bouwvakkers en boeren omdat die in de winter meer vrije tijd hadden, maar ook tieners. Meisjes die spaarden voor een nieuwe jurk of jongens voor een fiets, bijvoorbeeld. Het jongste slachtoffer, Jeanke Beusen uit Zussen, was amper zestien. Een groot aantal plukkers werkte in de schemerzone van de illegaliteit, want ze waren niet ingeschreven. Er was nauwelijks een wettelijk kader.’
De ramp van de Roosburg maakt op een manifeste wijze duidelijk hoe groot de impact van het toeval – anderen spreken van het fatum – op een mensenleven kan zijn.
‘Normaal gingen de plukkers rond negen uur naar een andere grot voor het ontbijtkwartier. Eugène Nelissen vertrok een kwartiertje vroeger. Ik heb veel te grote honger, zei hij. De man dankte zijn leven aan die plotse beslissing. Niet alleen bij de overlevenden, maar ook bij de slachtoffers vind je ongewoon pakkende verhalen. Mathieu Vanherf zou tien dagen na de ramp trouwen met Maria Darcis. Op de dag van het huwelijk vonden redders zijn jas en knapzak. Jean Jongen werkte nog maar enkele maanden in de mergelberg. Zijn ouders en zus Maria smeekten hem om ander werk te zoeken, maar in de grotten mocht hij van champignonkweker Gerard Kinet, die een van de vier grote bedrijven in de Roosburg had, met de jeep rijden. Dat was zijn grote droom. Zijn moeder stierf vier maanden na de ramp van verdriet.’
De reddingswerken kwamen onmiddellijk op gang. Mijningenieurs, politie en rijkswacht, het Rode Kruis en het leger, brandweerlui, mijnwerkers van Waterschei, verplegers, arbeiders met reusachtige putboren: in de barre koude en sneeuw werd met man en macht gewerkt om de slachtoffers te bevrijden. Gouverneur Louis Roppe volgde de werken op de eerste rij. Koning Boudewijn en de toenmalige prins Albert daalden nog de dag zelf in de grotten af. Exact op de plek waar zij ‘s middags stonden, was er ‘s avonds een nieuwe instorting. Slechts zeven slachtoffers werden teruggevonden.
Op 6 maart 1959, tien weken na de ramp, werden de reddingswerken stopgezet. Elf lijken liggen nog altijd onder het puin. ‘Met de technische middelen van vandaag moet het mogelijk zijn om ze op te graven, maar enkele families hebben expliciet gezegd dat ze dat niet willen’, zegt Jean Geelen. ‘Zij beschouwen de Roosburg als een natuurlijke rustplaats. Zij weten waar hun verongelukte familieleden zich bevinden. Dat is een andere situatie dan wanneer iemand spoorloos verdwijnt.’
Na de ramp klaagde volksvertegenwoordiger Wirix in het parlement de gebrekkige veiligheidswetgeving aan, maar na een onderzoek van het parket van Tongeren naar de oorzaken werd niemand verantwoordelijk gesteld voor de dood van achttien mensen. ‘De uitbaters waren in orde met de wetgeving van toen, maar die stelde nauwelijks wat voor’, verduidelijkt Vital Medaerts. ‘De inspecties werden gedaan door mensen die de grotten totaal niet kenden. Verdunde pijlers werden verstevigd met mergelblokken en baksteen, maar daar werden totaal geen bouwkundige berekeningen voor uitgevoerd. Na de ramp werd de ondergrondse teelt opgegeven. Voor de getroffen families was dat absoluut geen troost.’
De film wordt op 23 december voor het eerst vertoond. Het boek en de dvd zijn vanaf dan te koop