Archive for Maastricht
Ruïne Lichtenberg
Posted by: | CommentsKasteelruine Lichtenberg
Ruïne Lichtenberg ligt bovenop de Sint Pietersberg aan de rand van de ENCI-groeve op ongeveer 2 kilometer zuidelijk van Maastricht. De ruïne is nu eigendom van Stichting Natuurmonumenten.
De oorspronkelijke naam was Luchtenborg, waarschijnlijk afgeleid van ‘hooggelegen kasteel’ (Kasteel in de lucht) . Ook de Latijnse naam “Mons Lucis” werd wel gebruikt voor Lichtenberg. Bouw van het eerste originele kasteel is waarschijnlijk begonnen rond 1212. De in de tiende eeuw gebouwde Donjon gebruikte hij als fundament. De uit vuurstenen en kolenzandsteen gemaakte onderbouw van de ruïne is wellicht een van de oudste nog zichtbare kasteelresten in Nederland. In de 12e en 15e eeuw werd de donjon nog uitgebreid met twee extra verdiepingen. Het kasteel zelf is omstreeks 1400 gebouwd en in de 15e en 16e eeuw is het meerdere keren uitgebreid.
Het kasteel wordt verwoest tijdens de Hollandse Oorlog van 1672. Ofschoon het kasteel in 1740 nog bewoond was, is het in 1747 na een grote brand geheel in verval geraakt. Naderhand is op het kasteelterrein een Gesloten hoeve gebouwd, waarvan het woonhuis tegenwoordig nog bestaat. Het poortgebouw en de stallen zijn gebouwd in 1816. In 1904 wordt een ijzeren trap met een houten platform aangebracht in de toren en krijgt de toren de functie van een uitzichttoren. In 1985 is de ruïne gehandhaafd en zijn de bijgebouwen gerestaureerd.
In de periode vanaf 1926 werd de ENCI eigenaar van Lichtenberg. Door de bouw van de ENCI-fabriek en de afgravingen uit de Sint Pietersberg ten behoeve van de mergelwinning voor de cementfabriek staat de huidige hoeve Lichtenberg en ruïne enigszins geïsoleerd en als het ware op een steile kale rotspartij met bijna loodrechte verticale wanden.
Onder de ruïne bevinden zich nog restanten van de mergelgrotten van het Slavante stelsel. Deze immense en zeer oude mergelgroeve is door de ENCI zo goed als afgegraven. Wellicht danken we Lichtenberg en zijn mooie ligging aan het behoud van dit laatste stukje bijzonder ondergronds landschap.
Voor meer informatie over de geschiedenis van de ruïne Lichtenberg: Breurhenket.com
Onderstaande foto’s zijn gemaakt op zondag 13 september tijdens de open zondagmiddag. Meer informatie over openingstijden vind je op de site van Stichting Oud Sint Pieter
Foto’s Ruïne Lichtenberg
Herinneringen aan ondergrondse kinderdagen in de Zonneberg
Posted by: | CommentsAls hij in het grottenstelsel van de Zonneberg een nis met een ondergrondse bakkerij passeert, komen de herinneringen naar boven. “Er werd in die dagen ook brood gebakken voor de vluchtelingen. Dat rook je in alle gangen, een heerlijke lucht.” Willy Comans is even terug op de plek waar hij als jongetje van zeven met zijn ouders in september 1944 pal voor de bevrijding van Maastricht zo’n tien dagen heeft geschuild. Enkele honderden Maastrichtenaren verbleven de laatste oorlogsdagen ondergronds op de Sint Pietersberg.
Comans woonde met zijn ouders in Smeermaas toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. De familie moest hals over kop vluchten toen de Belgen een nabij hun woning gelegen brug hadden opgeblazen. Na enkele omzwervingen kwam het gezin Comans in een dorpje onder Parijs terecht. “Mijn werd door de Fransen tewerk gesteld om vliegtuigmotoren te reviseren, want hij was van beroep machinebankwerker bij Céramique.” Na de Franse capitulatie trof het gezin bij terugkeer in Smeermaas het huis totaal in puin aan. “Alle meubels waren weg, de deuren en ramen waren er uit. De buren dachten dat we in een bombardement waren omgekomen. Mijn moeder zag later de overalls van mijn vader bij andere buren aan de waslijn hangen.” Het berooide gezin ging naar familie in Blauwdorp en betrok eeen huisje aan de Brouwersweg, tegenover het Sint Annadal ziekenhuis.
Anno 2009 is Comans, die eind vijftiger jaren naar Rotterdam verhuisde, even terug in de stad waar hij opgroeide. Met zijn drie dochters en kleinkinderen logeert hij in een onderkomen van Natuurmonumenten op de Lichtenberg, vlakbij de ingang van de grot onder de Zonneberg. “Ik heb veel heimwee gehad naar Maastricht . Naar familie en naar de sfeer hier. In het begin miste ik de manier van leven hier, in het westen was het leven harder, maar ik had daar mijn werk.”
Onder begeleiding van een gids van de VVV bezoekt Comans met zijn dochters en twee kleinkinderen de grot waar hij in die septemberdagen van 1944 met zijn ouders gebivakkeerd heeft. “”We gingen ruim een week voor de bevrijding de berg in vanwege de bomdreiging.” Wandelend over de Zonnebergweg komen de herinneringen aan die dagen bij Comans naar boven. “Overdag zaten wij als kinderen in de wei te spelen. Met mesjes bewerkten we mergelstenen, we maakten er poppetjes van. We jatten ook tomaten en radijsjes bij de boeren die dan ‘toevallig’ niet hard genoeg konden lopen om ons te pakken.”
Eenmaal in de gangen van de Zonneberg gaat Comans op zoek naar de nis waar hij met zijn ouders verbleef. “We hadden een mooie nis. Genoeg plek voor vier gezinnen. Van strobalen maakten we scheidingswandjes.” Op de muren zijn nog vele verwijzingen uit die dagen te vinden. Cijfers op de wanden verwijzen naar de indeling die in die dagen gemaakt is voor de honderden mensen die de grot bevolkten. “het zag er soms zwart van de mensen.” De vader van Comans trok er elke dag op uit met een geleende bakfiets om in Blauwdorp eten uit de gaarkeuken en beddengoed te halen, aldus de toen zevenjarige Comans. “Maar Pa ging ook steeds naar huis omdat hij naar de Engelse radio die hij in de kruipruimte onder het huis verstopt had, wilde luisteren. Als hij weer boven kwam, kwamen de buren nieuwsgierig informeren naar de stand van zaken.”
In die dagen onder de berg heeft Comans nooit een Duitser bij of in de groeve gezien. “We zagen wel honderden bommenwerpers overkomen die richting Aken vlogen.” Comasn is zichtbaar geroerd als hij oog in oog staat met de plek waar de gids hem naar toe leidt: De ondergrondse kapel van de Zonneberg, waar kerkdiensten werden gehouden. We zijn twee keer naar zo’n dienst geweest, dat was heel speciaal. Zelfs als kind voelde ik de saamhorigheid.” In stilte trekken de man, die zijn jeugddagen terughaalt in zijn geheugen en zijn familie verder langs de donkere gangen. De frisse temperatuur van tien graden lijkt hem niet te deren. de zoektocht naar de plek waar hij met zijn ouders overnachtte loopt op niets uit. Veel families hebben toentertijd hun namen in de wanden gekrast, maar die van Comans is er niet bij. Eén van zijn dochters verklaart waarom het zo moeilijk is om de plek terug te vinden: “Pa, je moet niet vergeten dat je toen veel kleiner was en alles vanuit een ander perspectief zag.”
Wat Comans niet vergeet is dat er op een avond groot tumult uitbrak onder de mensen in de grot. “Er ging het gerucht dat Amerikaanse tanks optrokken vanuit Eijsden. Iedereen liep naar de uitgang van de grot. Sommigen hadden de Nederlandse vlag bij zich, die zag ik voor het eerst.” In een nabij gelegen weiland hield de opgetogen groep halt. Er zaten nog Duitsers in de buurt. “De volgende ochtend speelden wij kinderen weer buiten en zagen we Duitse soldaten met hun handen in de nek langs lopen. Amerikaanse soldaten liepen ernaast met geweren in de aanslag. Toen ging de vlag echt uit.” Enkele dagen later ging de familie Comans terug naar huis in Blauwdorp.
Als Comans en zijn familie anno 2009 buiten de mergelgrot knipperen met hun ogen tegen het daglicht, kijkt de oud-Maastrichtenaar met een goed gevoel terug op die dagen: “Het was voor mij als kind één groot avontuur.”
Opmerking: De ondergrondse bakkerij is naar mijn mening nooit gebruikt, wellicht dat mijnheer Comans deze herinnering ergens anders vandaan heeft – Frank
Bron: Stadskrant de Ster – vrijdag 11 september 2009 – Sjak Planthof
Bij de Paters Jezuïeten onder de grond
Posted by: | CommentsReportage uit de ‘Katholieke Illustratie’ van 31 Juli 1953
Bezoek aan de Mergelgroeven van de Cannerberg
Berg in duisternis gehuld,
Van kracht van eeuwen en zee vervuld,
Die op ons wacht met oeroud geduld,
Zeg eens hoe lang je nog wachten zult….
Bergcanon
Het is geen gedicht dat ooit in aanmerking zal komen voor een literaire prijs. Het heeft ook helemaal niet de pretentie een poëtisch werkstuk te zijn. Maar voor de paters Jezuïeten van het Canisianum te Maastricht heeft het een betekenis, die ver uitgaat boven de kunstwaarde ervan. Het staat in schone blokletters gekalligrafeerd op een wand in een van de vele onderaardse gangen van de Fallenberg, die samen met met de Louwberg en de Bosberg de alom in het land bekende Cannerberg vormt, aan welks voet het riviertje de Jeker stroomt. Een muzikaal aangelegde pater Jezuïet heeft het zelfs getoonzet en zo is dit vers tot “Bergcanon” verheven om door de theologanten te worden gezongen, als zij eenmaal in de week de theologie de theologie laten en in de ingewanden van de fallenberg verfrissing voor hun geest proberen te vinden. Want ook een pater Jezuïet is ‘maar’ een mens, die evengoed als ieder ander behoefte heeft aan ontspanning.
De regelen van deze “Bergcanon” schoten ons te binnen, toen wij, tweeënveertig meter onder het oppervlak van de Fallenberg, door onze met vergassers en carbidlampen gewapende begeleiders in de steek werden gelaten en eenzaam achterbleven in een duisternis zó intens en zó beklemmend, dat we een ogenblik het gevoel kregen of heel die enorme mergelmassa zo aanstonds met donderend geraas zou neerstorten en ons tot graf zou worden. Het was een sensatie als wij nooit eerder hadden beleefd en hoogstwaarschijnlijk ook nooit meer beleven zullen. Geen enkel geluid brak in die duisternis tot ons door en het enige tastbare in die buik van de Fallenberg waren de gladde mergelwanden en de vochtige kilte, die al met ijzige vingers naar ons greep. We hebben iets gewaar kunnen worden van de angst, welke grotbezoekers moeten hebben doorstaan, die zich, afgedwaald van hun spoor, te diep in de berg hebben gewaagd en jammerlijk verdwaald raakten. Zoals we ook iets hebben begrepen van de vreugde dezer ongelukkigen, toen eindelijk – na hoeveel bange uren? – de redding slaagde. Ver voor ons uit ontwaarden we een flauw schijnsel, dat geleidelijk aan in kracht won, tot plotseling heel de gang, waarin we stonden, in een felle, gele gloed lag, die de schaduwen van onze begeleiders in groteske vormen op de mergelwanden projecteerde.
Een pater schijnt met zijn carbidlamp op een uit mergel gehouwen Cherub
De plattegrond van het gangenstelsel in de Cannerberg. Deze kaart is gemaakt door pater de Bruyn,
die met driehoeksmeting elke gang heeft doorzocht en gemeten.
Zeeschildpad
In de wand van een van de gangen heeft men in 1862 (dus bijna dertig jaar voor de komst van de paters Jezuïeten) het fossiel gevonden van een enorme zeeschildpad. het werd overgebracht naar het Maastrichts Natuur-Historisch Museum, maar een deel van een der voorpoten is in de wand achtergebleven en dat werd de aanzet voor een reliëf, dat een getrouwe voorstelling geeft van de gedaante en de omvang van dit beest.
Tot 1904 waren de grotten van de Cannerberg ook toegankelijk voor het publiek. de bewoonster van het nabijgelegen kasteel Neercanne ondervond echter veel hinder van onbescheiden bezoekers van haar bos en meermalen gebeurde het, dat de paters bij hun wekelijks bezoek aan de grotten tekeningen en inschriften beschadigd en zelfs geheel verwoest aantroffen.
Dit en het feit, dat opgeschoten jongelui de onderaardse gangen benutten voor ongewenste rendez-vous, leidde tot sluiting van de groeven. Het hoeft niet gezegd, dat deze maatregel op veel verzet stuitte, vooral van de zijde der zojuist genoemde jeugd. Verscheidene malen heeft zij de ingangen geforceerd, zoals bijvoorbeeld in maart 1906, toen jonge vandalen vreselijk in de grotten van de paters hebben huisgehouden en een zeer groot deel van de in de loop der jaren aangebrachte werkstukken onherstelbaar hebben vernield of zo ernstig hebben bekrast, dat restauratie nauwelijks meer mogelijk scheen. ofschoon wel een ogenblik ontmoedigd, zijn de paters spoedig aan het werk getogen om te redden, wat er nog te redden viel, terwijl ook al gauw weer aan nieuwe objecten werd begonnen.
In de ‘ondergrondse kleedkamer wordt de werkkleding van de paters bewaard in een bus.
Iedere pater heeft zijn eigen bus, waarvan het nummer correspondeert met de naamlijst erboven. Op deze manier
wordt de kleding gevrijwaard tegen de inwerking van vocht.
(Deze bussen staan er ook heden nog steeds!)
Instorting
Een tweede en nog grotere ramp greep plaats op 20 juli 1920, toen een groot deel van de Louwberg instortte. In de “Kroniek van de cannerberg” staat hierover een kort relaas van pater van Dinter, doch daar is niet op uit te maken, wat er door die instorting allemaal verloren ging. Te oordelen echter naar wat pater van Loosrecht, de huidige bergbaas, ons erover verteld heeft, moet het verlies zeer aanzienlijk zijn, wat trouwens ook kan worden afgeleid uit de kaart van het onderaardse gangenstelsel in de Cannerberg, een knap werkstuk van pater Fred. de Bruyn.
Na die instorting zag het er aanvankelijk naar uit, dat het met het onderaardse “gewroet” der paters Jezuïeten voorgoed gedaan zou zijn, want ingenieurs van het mijnwezen, die een onderzoek kwamen instellen, keurden, zoals in de kroniek vermeld staat, de hele boel af, niet alleen wat er nog van het gangenstelsel in de Louwberg gespaard was gebleven, maar ook de gehele Fallenberg en zelfs de hoofdingang van de Bosberg. Onnodig te vertellen, dat de teleurstelling onder de paters zeer groot was. “Een nieuwe rector en een nieuw geluid,” schrijft de chroniqueur in 1922. pater van Minderop heeft de hoofdingenieur van het mijnwezen overgehaald de berg opnieuw te inspecteren en het resultaat is, dat de zaak veilig wordt verklaard, tenminste tot op circa dertig meter meter van de instortingslijn. Met enkele latten werden nu die gangen afgezet, die of te dicht bij de instortingen liggen, of anderszins gevaar kunnen opleveren. Met enige feestelijkheid werd de berg daarna weer geopend.
Een ochtend en een middag lang hebben we met pater van Loosdrechten zijn confrater, pater Willenborg, door de grotten van de Fallenberg gezworven. Bijna acht uur zonder een spiertje daglicht in een labyrint van niets dan mergelgangen.
In vele gangen zijn de wanden versiert met silhouetten van paters Jezuïeten – dit soort
silhouetten vind je in vele oude groeves terug
De Louwberg
De Louwberg bestaat uit de volgende gangenstelsel (tussen de Apostelgroeve en kasteel Neerkanne):
- De Boschberg – door instortingen van de Fallenberg gescheiden. Reeds in 1944 militaire activiteiten door de Duitsers in de vorm van een assemblagefabriek. Vanaf 1963 tot 1992 was in deze berg het Luchtmacht Coördinatie Centrum van de NATO gevestigd. Op dit moment wordt de berg gesaneerd i.v.m. asbest.
- Jezuïetenberg – Is een gedeelte van de Fallenberg.
- Fallenberg (ook Oudberg, Valberg en Falberg genoemd.) – oude groeve, blijkt reeks in 1504 als “Gevallenberg” te boek te staan. Groeve is in slechte staat en niet te bezoeken.
(Bron: “Mergel Gebroken”- Luck Walschot)
Meer weten over de jezuietenberg: Rondleidingen Mergelgrotten of jeuietenberg.nl
Untererdische Kirchen in Untertage Valkenburg und Maastricht
Posted by: | CommentsZum Besuch der Untergrund-Kirchen in Valkenburg und Maastricht laden der VVV Süd-Limburg und die Stiftung «Ondergronds Genieten» ein.
Von Freitag, 3. April, bis Sonntag, 5. April, öffnen einzigartige Kapellen und Hauskirchen ihre Türen, die sonst Besuchern verschlossen sind. Die Kirchen sind unter französischer Herrschaft (1795-1806) entstanden.
Viele niederländische Priester wollten damals nicht ihren Eid auf die französische Verfassung leisten und gingen im wahrsten Sinne des Wortes in den Untergrund, in die Mergelgrotten.
Die geöffneten Kapellen: In Valkenburg die Geulhemergrube, die Sibbergrube, die Katakomben, die Gemeentegrotte und die Fluweelengrotte sowie in Maastricht der Zonneberg.
Eintrittskarten gibt es bei allen VVV´s in Süd-Limburg und beim VVV Maastricht, Kleine Staat 1, für 12,50 Euro pro Person; ab dem 3. April auch bei den Untergrund-Kirchen selbst. Für Kinder bis zwölf Jahre ist der Eintritt frei.
Haben Sie noch Fragen, email: mergelgrotten@gmail.com
Haubtsitz Stichting VVV Zuid-Limburg (Fremdenverkehr)
Walramplein 6
Postbus 820
6300 AV Valkenburg aan de Geul
Tel: 0900-5559798 (€ 1,- pro Gespräch)
Fax: 0031-43-6016640
Zu erreichen von mo t/m frei 09.00-17.00 uur.
E-mail: info@vvvzuidlimburg.nl
Tentoonstelling ‘Ontvoerde’ Mosasaurus in Natuurhistorsch Museum Maastricht
Posted by: | CommentsBron: Volkskrant 28 februari 2009 – Ben van Raaij
De mosasaurus, een door de Fransen ’ontvoerd’ zeereptiel, is na twee eeuwen weer even terug in zijn plaats van herkomst: Maastricht. De Parijse mosasaurus is een legendarisch fossiel. Lang voor Darwin bracht het beest het denken over het veranderen en uitsterven van soorten op gang. Het is de terugkeer van het beest. Meer dan tweehonderd jaar nadat het fossiel van de mosasaurus Maastricht als Franse oorlogsbuit had verlaten, keert het beroemde zeereptiel deze week tijdelijk terug uit Parijs, als hoogtepunt van een expositie in het kader van het Darwinjaar.
Fokeline Dingemans, directeur van het Natuurhistorisch Museum Maastricht, dat de tentoonstelling organiseert, kan haar geluk niet op. ‘Het is héél bijzonder dat de Fransen dit mogelijk maken. Het fossiel is in Frankrijk al sinds 1795 nationaal erfgoed. En bovendien een erg beladen voorwerp, want in de Maastrichtse volksmond heet het gestolen goed. Het leeft hier enorm – er is zelfs een carnavalsvereniging De Mosasaurussen.’ Dingemans heeft een gevoelige diplomatieke operatie achter de rug. ‘Aanvankelijk waren de Franse reacties aarzelend, want dit is toch zoiets als de Mona Lisa van de paleontologie. En het Parijse museum is ook niet erg op publiekstentoonstellingen gericht; het fossiel ligt daar in een opstelling die sinds eind 19de eeuw niet meer gewijzigd is – wel heel charmant hoor.’ Het onderhandelingsproces met Parijs nam al met al ruim twee jaar in beslag. Eerst was het probleem dat het fossiel nationaal erfgoed was, vervolgens dat het te kwetsbaar was voor vervoer. ‘Op zeker moment is de vraag: hoe lang duw je door voordat je mensen begint te irriteren’, aldus Dingemans.
De uiteindelijke doorbraak was mede te danken aan Camille Oostwegel, bekend Limburgs hotelier en honorair consul van Frankrijk. Hij schreef een mooie brief naar Parijs, met kopieën aan beide ambassadeurs. Dat hielp, zeker toen Dingemans en conservator Anne Schulp naar Parijs afreisden en ook nog behoorlijk Frans bleken te spreken. Het papierwerk bleek echter een hardnekkig obstakel. ‘Ik zou over eeuwig bruikleen beginnen’
Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken opent zaterdag de mosasaurus-expositie in Maastricht. Opmerkelijk, want Verhagen heeft samen met oud-diplomaat Jan-Willem Bertens (D66) begin jaren negentig getracht de mosasaurus in ‘eeuwig bruikleen’ terug te halen naar Maastricht. Verhagen en Bertens, beiden Maastrichtenaren, zaten toen in het Europees Parlement.
Bertens: ‘We hadden ons als kind vaak vergaapt aan die kop en kregen dan altijd het verhaal te horen dat hij niet echt was, en dat de Fransen in 1794 het origineel hadden gestolen.’ Met de 200-jarige herdenking van dat feit in zicht zagen de twee hun kans schoon – indachtig het Verdrag van Maastricht, dat stelt dat cultureel erfgoed zoveel mogelijk terug moet naar het land van herkomst. ‘Dan dit ook, dachten wij.’ Een resolutie in het Europarlement kreeg echter te weinig steun. Staatssecretaris Aad Nuis van Cultuur nam de zaak in 1996 nog op met zijn Franse collega. Vergeefs. ‘Jammer’, zegt Bertens. ‘We hadden nog wel zo’n mooi plan om het fossiel met een kar van een bevriende brouwerij naar Nederland te brengen.’ Directeur Bertrand-Pierre Galey van het Parijse Muséum national d’Histoire Naturelle zegt dat alle claims uit de tijd van de Franse Revolutie en het Napoleontische keizerrijk bij het Congres van Wenen (1815) zijn afgewikkeld, en het fossiel eigendom is en blijft van de Franse staat. ‘Dat is bij gelegenheid van dit bruikleen ook door Nederland erkend.
Het is nu bij wijze van uitzondering uitgeleend als blijk van vriendschap.’ Bertens denkt dat Verhagen zaterdag nog wel over restitutie zal beginnen. ‘Hij heeft fantasie genoeg, al is hij dan van het CDA. Ik zou nog eens over eeuwig bruikleen beginnen. In ruil voor wat schilderijen.’
Pas in de loop van januari waren alle bruikleenovereenkomsten en garantieverklaringen rond en was het zeker dat de tentoonstelling Darwin, Cuvier en het Grand Animal de Maestricht doorging. Deze week wordt het fossiel naar Maastricht vervoerd. Zaterdag 7 maart opent minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken de tentoonstelling, in tegenwoordigheid van de Franse ambassadeur en natuurlijk tout Maastricht (zie kader).
Kalksteen
Het verhaal van de mosasaurus begint in de 18de eeuw. Het fossiel, een schedel met grote kaken vol scherpe tanden, werd tussen 1770 en 1774 ontdekt in de ondergrondse groeves van de Sint-Pietersberg, waar sinds de Middeleeuwen kalksteen wordt gewonnen. Naar verluidt vonden ‘blokbrekers’ de kop in een galerij ‘omtrent van den afstand van vijf honderd schreden van den grooten ingang’. Vreemde zaken, zoals schelpen en zee-egels, werden wel vaker in de Maastrichter kalksteen aangetroffen. Zulke vondsten in een berg vond niemand vreemd. Dat Limburg in het late Krijt, zo’n 65 miljoen jaar geleden, een ondiepe tropische zee was geweest, kon nog niemand weten, maar mariene resten werden eenvoudig aan de bijbelse Zondvloed geweten.
De reuzenschedel baarde evenwel meteen opzien bij enkele gegoede burgers uit Maastricht die ‘naturaliën’ uit de Pietersberg verzamelden voor hun rariteitenkabinetten. Zoals de legerarts Johann Leonard Hoffmann, die een hele collectie had. Maar het was Theodorus Godding, een kanunnik van de Sint Servaaskerk, die de schedel kocht en thuis tentoonstelde. De kop van Maastricht raakte wijd en zijd bekend, tot in Frankrijk toe. Dat bleek in 1794, toen Franse revolutionaire troepen de stad Maastricht innamen en de legerleiding het beroemde fossiel van kannunik Godding prompt confisqueerde en als oorlogsbuit naar Parijs liet transporteren.
Dat het fossiel voor zeshonderd flessen wijn werd gekocht, zoals de Franse geoloog Barthélemy Faujas de Saint-Fond in 1799 schrijft, lijkt een verzinsel. Uit documenten blijkt dat de Franse autoriteiten een decreet hadden uitgevaardigd om het fossiel naar Parijs te brengen. Eenmaal daar werd het bestempeld tot nationaal erfgoed en opgenomen in het nieuwe Muséum national d’Histoire Naturelle. Daar is het sindsdien gebleven. Voor de mosasaurus was het in zekere zin een mooie move, want anders dan een vergelijkbare, in 1766 gevonden schedel die in Teylers Museum in Haarlem terechtkwam, kwam de Parijse kop in handen van George baron Cuvier, de beroemde anatoom, die ook in 1795 in het museum was aangesteld. Cuvier boog zich over de grote vraag wat voor een soort dier het ‘Grand Animal fossilé des Carrières de Maestricht’ nu eigenlijk was.
Verhemelte
Mensen als Hoffmann en Godding dachten dat het een soort krokodil betrof. De Groningse anatoom Petrus Camper betwijfelde dat: krokodillen hebben geen extra tanden in hun verhemelte, zoals dit beest, en veel onregelmatiger kaakbeen. Camper besloot dat het om een onbekende tandwalvis ging, een potvis. Zijn zoon Adriaan Gilles Camper kwam later tot de (juiste) conclusie dat het beest een extreem grote hagedis was, een soort zeevaraan. Hij schreef dat ook aan Cuvier, die het met hem eens was. Mede door de correspondentie met Camper viel bij Cuvier het kwartje, zegt Dingemans. Het Animal de Maestricht was een reuzenvaraan van een soort die inmiddels niet meer voorkwam.
Een uitgestorven soort dus. Dat was in die tijd nog een nieuw idee. Omdat het beest in zulke oude aardlagen was gevonden, moest de soort wel lang geleden zijn verdwenen. Dat kon volgens Cuvier alleen maar komen door een catastrofe, een omwenteling die een vroegere oerwereld scheidde van de huidige. Dat was, aldus de tentoonstellingscatalogus, een lastig concept in een tijd dat de meeste mensen nog uitgingen van de scheppingsgedachte: God die de wereld in één keer en volmaakt had geschapen. Met die ene schepping en één enkele bijbelse catastrofe, de Zondvloed, kon je nooit alle verdwenen soorten verklaren. Latere wetenschappers als Alcide d’Orbigny kwamen zo tot constructies met 27 verschillende catastrofes en evenzovele nieuwe scheppingen. Het was Cuvier uit zijn onderzoekingen aan oude aardlagen in het Bekken van Parijs duidelijk geworden dat fossielen in opeenvolgende aardlagen elkaar opvolgden in de tijd. Maar hoe stonden die soorten in relatie tot elkaar? Cuvier nam aan dat de ene soort verdween om plaats te maken voor de andere.
De bioloog Jean-Baptiste Lamarck, zijn tijdgenoot, zag dat anders. Hij kon zich niet voorstellen dat soorten vanzelf uitstierven en opperde daarom dat soorten zelf veranderen. Een vroege versie van de evolutiegedachte. Zo werd de mosasaurus een kantelpunt in de ontwikkeling van het denken over het ontstaan, het uitsterven en de verandering van soorten. Vroegere dieren sterven uit en veranderen mogelijk ook in de loop van de tijd. De Maashagedis was zo, aldus de samenstellers van de expositie, een ‘opstap’ voor de evolutietheorie van Charles Darwin, en maakte tevens de geesten rijp voor de vondst van andere voorwereldlijke monsters, dinosauriërs, waarvan de eerste twintig jaar later werden gevonden.
Staart
Het Grand Animal zelf kreeg uiteindelijk ook zijn paleontologische plek. In 1822 werd het officieel Mosasaurus gedoopt, in 1829 aangevuld tot Mosasaurus hoffmanni, ter ere van de Maastrichtse kenner Hoffmann. De Krijt-laag waarin het fossiel was gevonden, heette voortaan het Maastrichtien. Elders in de wereld zijn nadien ook allerlei soorten mosasauriërs gevonden, stuk voor stuk gestroomlijnde vleeseters, tot wel 17 meter lang, met grote kaken, flipperachtige ledematen en een platte staart. Onderzoekers van het museum in Maastricht hebben midden jaren negentig nog achterhaald hoe oud de Parijse mosasaurus precies is. Uit het fossiel geboord steengruis werd geanalyseerd op microfossielen om te bepalen uit welke laag van het Maastrichtse Krijt het beest kwam. Het bewuste laagje bleek circa 65 miljoen jaar oud. Niet veel later zou een grote meteoriet bij Yucatan in één klap een eind maken aan het bestaan van alle dino- en mosasauriërs.
In Maastricht kan directeur Dingemans amper geloven dat het fossiel eindelijk komt. Tot in januari was er gedoe, onder meer over de garantieverklaring – dat de Nederlandse staat het fossiel tijdens de bruikleen niet zou opeisen. Dat leidde tot een Catch 22, want Den Haag geeft zo’n garantie alleen op basis van een bruikleenovereenkomst, en Parijs geeft die weer niet zonder garantieverklaring. In de hal van het Maastrichtse museum ligt sinds jaar en dag een replica van de Parijse mosasaurus onder glas. Het opschrift vermeldt dat het origineel door de Fransen is ‘ontvoerd’. Dingemans toont zich echter genuanceerd over de ‘restitutiekwestie’: Parijs mag het beest wat haar betreft houden. ‘Waar de mosasaurus ligt, maakt mij niet uit. Als er maar goed op gepast wordt. Beide partijen hebben goede argumenten. Het fossiel is hier gevonden, maar zonder Cuviers bemoeienis was het beest nooit zo beroemd geworden.’ Bovendien bezit het museum sinds 1998 een eigen mosasauruskop, Bèr genaamd. Een historisch goedmakertje, zou je kunnen zeggen. ‘Bèr is zelfs nog meer bijzonder, want van deze soort, Prognathodon saturator, is maar één exemplaar bekend. Maar ja, hij heeft niet de cultuurhistorische betekenis van het Parijse exemplaar. Dat is en blijft de Mosasaurus.’
Darwin, Cuvier en het Grand Animal de Maestricht. Expositie in Natuurhistorisch Museum Maastricht, 8 maart t/m 21 juni. De Bosquetplein 7. Info: Natuurhistorisch Museum Maastricht
Grotten Maastricht
Posted by: | CommentsMosasaurus schedel na 215 jaar terug in Maastricht
Posted by: | CommentsBron: www.binnenland.nieuws.nl
De schedel van een mosasaurus keert na bijna 215 jaar terug in Maastricht. Het fossiel ligt sinds 1795 in het natuurhistorisch museum in Parijs en wordt in de Limburgse hoofdstad tentoongesteld in een expositie over Darwin.
Stichting Oud Sint Pieter
Posted by: | CommentsHet dorp Sint Pieter, nu onderdeel van Maastricht, bevat vele cultuurhistorische ´landmarks´, waarvan de Sint-Pietersberg wel de meest in het oog springende is.
Gelegen tussen de mergelweg en de lage kanaaldijk is het reeds 2000 jaren onderdeel van de de `wereldgeschiedenis´. Is het niet wegens de Romeinse uitkijkpost die op de Sint-Pietersberg lag, dan is het wel om de Luikerweg – een van de oudste nog bestaande wegen (tussen Maastricht en het zuiden) die ooit over het midden van de Sint-Pietersberg liep, maar nu wordt onderbroken door de ENCI – groeve.
Op dit moment wordt er hard gewerkt om de grotwoning van Greetje Blanckers te restaureren en voor het nageslacht te bewaren.
Vergeet ook niet Hoeve Lichtenberg met zijn museum, Grotten Noord, de Zonneberg en de wijngaard.
Nieuwsgierig geworden en wil je nog veel meer weten over het verleden van Sint Pieter, kijk dan eens op de site van ‘Oud Sint-Pieter’ – een zeer mooie en uitgebreide site met veel foto´s van vroeger en nu.
















