Archive for Onderzoek
200 jaar Mijntoezicht in Nederland
Posted by: | CommentsBron: Limburgs Dagblad – 17 april 2010
Het is 200 jaar geleden dat de Franse Mijnwet werd ingevoerd. Een wet die onder meer leidde tot de oprichting van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Op 21 april is het jubileumjaar van de dienst die voor Limburg van groot belang was.
De invloed van Napoleon op ons leven is nog steeds in veel dagelijkse dingen merkbaar. Zo was hij onder andere verantwoordelijk voor het invoeren van een gestandaardiseerde registratie van geboorten, huwelijken, echtscheidingen en overlijdens. In continentaal Europa wordt sinds Napoleon vrijwel overal rechts gereden. Ook lanceerde de ‘Kleine Korporaal’ de Mijnwet van 1810. Nederland viel destijds onder Frans bestuur. De Franse Mijnwet, in dat jaar op 21 april ingesteld, gold daarom ook hier. Voornamelijk Zuid-Limburg kreeg in eerste instantie met deze wet te maken. In deze streek vond immers sinds eeuwen steenkoolwinning plaats. Misschien zelfs wel de eerste kolenwinning op het Europese vasteland.

Domaniale mijn - Kennislink.nl
De allereerste ontginningen van steenkool vonden plaats in het kolenveld van de Domaniale mijn in Kerkrade. Dan hebben we het over de 12e eeuw, toen er op kleine schaal steenkoolwinning plaatsvond in het Wormdal, nabij abdij Rolduc. In de allereerste dagen van de kolenwinning ging het vooral om oppervlakte-werk. Langzaam maar zeker moest men dieper en dieper graven om de kolen te kunnen delven. In de zeventiende eeuw maakten kolengravers schachten van circa veertig meter diep. Met handlieren en rosmolens werden de kolen naar de oppervlakte gebracht.
De mijnwet bracht ingrijpende veranderingen met zich mee. de wet werd ingesteld om voorwaarden te stellen aan de winning van delfstoffen als steenkool, bruinkool, zout, aardolie en mergel. Belangrijker nog was het regelen van de eigendomsrechten, Tot 1810 had de eerlijke vinder de eigendomsrechten, na deze datum kon men alleen de eigendomsrechten verwerven door het verlenen van concessies. De Staat zou vanaf dat moment bepalen wie bevoegd is tot ontginning. Bovendien trad het Rijk op als beschermer van het algemeen belang.
Maar ook de sociale aspecten van de mijnwet zijn niet onbelangrijk. Winning mocht vanaf dat moment alleen plaatsvinden onder leiding van technisch onderlegd personeel, iets wat daarvoor lang niet altijd gebeurde. Mijningenieurs, mijnmeesters en medici werden zodoende verplicht. Verboden werd het om kinderen jonger dan ten jaar in de mijnen te laten werken. Dat was vóór de invoering van deze wet populair, omdat de kleintjes behendig waren en vanwege hun geringe lengte goed in de kleine ruimtes konden werken. Maar ook aan dieren werd gedacht in de Mijnwet. De trekpaarden die de kolenwagens uit de mijngangen moesten slepen, mochten niet te zwaar worden belast.
Waar regels zijn, moest worden gecontroleerd. Een nieuwe functie werd ingesteld en belast met het toezicht op de naleving van de nieuwe regels: de ‘Ingenieur des mines’. In de Franse tijd werd de Nederlandse mijnbouw onder het gezag geplaatst van de ‘Ingenieur des mines’ in Luik. de Nederlandse tak was destijds zeer klein. Ook na de Belgische revolutie in 1830 bleven de Limburgse mijnen nog negen jaar onder het gezag van ‘Luik’. De Belgische staat bestuurde toen in feite het Limburgse mijngebied.
De heer F.D.J. Büttgenbach was per 1 juli 1839 de eerste ‘ingenieur der mijnen’ die zijn standplaats in Nederland had. Zijn aandacht ging deels uit naar de mergelgroeven. Ook de Domaniale Mijn en de kleinere mijntjes in Bleyerheide en Neuprick kreeg hij onder zijn hoede. Büttgenbach was de enige functionaris in dienst van het mijnwezen. Zijn standplaats was Kerkrade, in het administratiegebouw van de Domaniale Mijn. De administratie voerde hij zelf. Brieven en rapporten werden opgesteld in het Frans en in het Duits. Maar de eerste taal beheerst Büttgenbach niet feilloos, zo is na te lezen. Voor zijn werkzaamheden kreeg hij 250 gulden per jaar. In die tijd een flink bedrag. Zo flink dat hem een vergoeding voor reis- en verblijfskosten werd geweigerd.
De dienst wisselde nogal eens van hoofdkwartier. Afwisselend zetelde de ‘Ingenieur der mijnen’ in Kerkrade, Heerlen of Maastricht. In de beginjaren was dat vooral afhankelijk van de woonplaats van de ingenieur. In de tweede helft van de vorige eeuw werd alles anders. In ei 1959 wordt voor de eerste maal gas ontdekt in de Groningse bodem. De groei in de winning van olie en gas in de daaropvolgende periode zorgde ervoor dat de dienst snel werd uitgebreid. Een nieuwe locatie was hierdoor broodnodig. In 1962 werd het pand aan de Apollolaan 9 in Heerlen betrokken. Maar door de ontwikkelingen in de gas- en oliewinning en de daaraan gerelateerde afbouw van de kolenmijnbouw, duurde het niet lang voordat er een dependance in het westen van het land werd geopend. Per 1967 zat de dienst in Heerlen en in Den Haag.
De sluiting van de mijnen zette de vesting van de dienst in Heerlen onder druk. Een verhuizing naar het westen lag in het verschiet, maar die denkrichting kon op felle protesten
rekenen van het Limburgse personeel, dat het Heerlense hoofdkwartier niet wenste te verlaten. Frans Bastin uit Heerlen werkte in die tijd bij het SodM. Hij herinnert zich nog de strijd tegen een gedwongen vertrek naar de Randstad. “Het idee om deze streek te moeten verlate, bracht bij de Limburgse medewerkers van het Staatstoezicht grote onrust teweeg. Daarom zocht het personeel van de vesting Heerlen – in eerste instantie met succes – steun bij de politiek. Als voornaamste argument voerde de politiek aan dat een verhuizing strijdig was met de overeengekomen spreiding van rijskdiensten, waaraan niet mocht worden getornd. De toenmalige minister van Economische zaken, de latere premier Ruud Lubbers, liet op 24 januari 1974 wten dat hij zich sterk zou maken om het SodM voor Heerlen te behouden.”
Ook Tweede Kamerlid Knot zette zich in voor de zaak door in mei 1975 schriftelijke vragen te stellen over de kwestie. In zijn antwoorden bevestigde minister Lubbers min of meer zijn eerder ingenomen standpunt, door onder meer te verklaren dat de vestiging in Heerlen voorhands zou blijven bestaan en dat de ambtenaren die hun werkzaamheden elders in het land moesten verrichten toch in Limburg zouden mogen blijven wonen. “Maar de onrust sloeg weer toe”, herinnert Bastin zich. “eker toen de plaatsvervangend secretaris-generaal Van Oosten en het hoofd van de afdeling personeelszaken Stolk van het ministerie van Economische Zaken in 1983 aankondigden naar Heerlen te komen om aan de medewerkers van SodM uitleg te verschaffen over de stand van zaken. Samnegevat luidde hun boodschap dat van opheffing van de Heerlense vesting geen sprake was en dat overbrengen van werkzaamheden naar Den Haag pas zou geschieden als voor de medewerkers die in Limburg wilden blijven wonen passend werk was gevonden.
Uiteindelijk is op 9 juli 1985 Den Haag de hoofdvesting van Staatstoezicht geworden. Desalniettemin blijven in Limburg nog taken waar het SodM bij betrokken blijft.
De nieuwe mijnbouwwet nader bekeken
Posted by: | CommentsBetekent de nieuwe mijnbouwwet het einde voor het Berglopen?
Door: Jacquo Silvertant – Institute Europa Subterranea
De nieuwe Mijnbouwwet bevat een aanscherping van de veiligheidseisen voor het betreden van de gangenstelsels voor bijvoorbeeld onderzoek. De gaten in de grond zijn allereerst mijnbouwkundige werken met alle veiligheidsrisico’s van dien. Binnen die Mijnwet zijn er in het kort drie soorten van gebruik van de ondergrond; economisch (mergelwinning), recreatief (bezoekerseconomie) en ander gebruik zoals bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek. Complicerende factor is ook hier dat er is uitgegaan van een eenzijdige visie waarbij aan de complexheid van de praktijk is voorbij gegaan.
Hoe hoog men in moet zetten met beheersmaatregelen is afhankelijk van drie elementen: Dat zijn de staat van het gangenstelsel, dus veiligheid en stabiliteit…de complexiteit van het gangenstelsel, men moet dan denken aan uitgestrekte gangenstelsels waarbinnen gedeelten liggen met een zeer divers karakter en waarvan de stabiliteit van invloed kan zijn op de veiligheid in het gebruikte deel….en tot slot de aard van het gebruik van de groeve, bijvoorbeeld voor het mountainbiken in een groeve gelden andere beheersmaatregelen dan voor een vleermuistelling. Hoe dan ook, in meer of mindere mate zullen eigenaren van groeven die maatregelen moeten nemen.
Een specifieke subsidieregeling voor particuliere eigenaren om de financiële gevolgen van eventueel uit te voeren beheersmaatregelen te kunnen dragen is nog niet voorhanden en eigenaren zullen uit kostenbesparing waarschijnlijk eerder geneigd zijn om hun groeve permanent af te sluiten.
In plaats van een regulering betekent de nieuwe wet voor veel kleinschalige activiteiten, zoals wetenschappelijk onderzoek de doodsteek. De reden hiervoor is de reactie van groeve-eigenaren op het gebrek aan faciliterende voorzieningen door de overheid die voortvloeien uit de nieuwe wet. Men zal zo liever niemand in de groeve laten dan dat men het risico aangaat. Wanneer dit inderdaad zo doorzet dan is een officiële of minstens algemeen erkende status van ondergrondse mergelgroeven als cultureel erfgoed nog verder uit zicht.
Voor de beleidsmakers de gemakkelijkste en meest voor de hand liggende optie is de mijnwet zoals hij er nu ligt. Door het verkleinen van de toegangsmogelijkheden tot de ondergrond door het uitsluiten van elk mogelijk risico, verkleind de groep gebruikers vanzelf en daarmee het risico op ongelukken.
Het tegendeel lijkt te gebeuren. Het risico bestaat dat als gevolg van de beperking van de toegankelijkheid van groeven een toename te zien zal zijn in het aantal inbraken en illegaal bezoek rond de mergelgroeven op met name de afgelegen terreinen van natuurverenigingen. De risico’s hiervan zijn niet te overzien, terwijl de groeve-eigenaren worden opgezadeld met een onmogelijke handhavingstaak en eindverantwoordelijkheid, over het vandalisme aan het erfgoed en natuur nog maar te zwijgen.
Een ander effect is dat men vanuit Nederland in toenemende mate naar de Belgische groeven trekt omdat die wel nog toegankelijk zijn. De druk op de ondergrondse- en bovengrondse natuur- en erfgoedwaarden neemt daarmee explosief toe.
Toch zullen er in de toekomst nog genoeg mogelijkheden zijn voor onderzoek, recreatief berglopen e.d. Probleem is alleen dat die mogelijkheden afhankelijk zijn van de goodwill van de eigenaar. De voorwaarden die uiteindelijk door de Provincie aan een vergunning worden gesteld zullen per groeve verschillen. Het is dus niet zo dat per 1 januari ineens alles onmogelijk wordt. het wordt wel moeilijker, omdat de voorwaarden sterk verscherpt zijn. In ieder geval bestaat er bij de verschillende partijen wel de bereidheid om iedere vergunningaanvraag apart te beoordelen. Het is aan ons om te kijken hoe we binnen het kader van de nieuwe wet onze dingen kunnen blijven doen. Het is wel een feit dat ‘gewoon’ wat door de berg lopen waarschijnlijk is afgelopen met de nieuwe wet.
De mergelgroeven in het Nederlandse erfgoedbeleid
Posted by: | CommentsHoe passen de Mergelgroeven in het Nederlands Erfgoedbeleid?
Samenvatting van de ‘Studiedag Ondergrondse Landscahppen’
Zie ook: Studiedag Ondergrondse Landschappen
Kijk hier voor de berichtgeving op L1: Videobeelden
Reportage Studiedag Onderaardse Landschappen op L1 laat – deel 1
Reportage Studiedag Onderaardse Landschappen op L1 laat – deel 2
L1 TV Journaalitem Studiedag Onderaardse Landschappen
Op vrijdag 27 november jl. had ik de gelegenheid, de door het Instituut Europa Subterranea (IES) in samenwerking met het Forum voor Erfgoedverenigingen georganiseerde studiedag, te bezoeken. Samen met een stuk of 40 andere deelnemers, welke ik hieronder nog uitgebreider zal benoemen, werden we ontvangen in het Gemeentehuis van Valkenburg. Volgens goed Limburgs gebruik begonnen we natuurlijk met een een stuk vlaai en een kop koffie.
Deelnemers:
- Provincie Limburg

- Stichting Instandhouding kleine Landschapselementen
- Grubenarchäologische Gesellschaft
- Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
- Vlaams parlement
- Saatsbosbeheer
- Sociaal Historisch Centrum Limburg
- Belgische Geologische Dienst
- Monumentenwacht Vlaanderen
- Van Schaikstichting
- Gemeente Valkenburg
- Staatstoezicht op de mijnen
Na een welkomstwoord van Karel Dendooven (Algemeen coördinator Forum voor Erfgoedverenigingen) kwamen we al snel tot de probleemstelling en doelstelling van deze studiedag; Hoe passen de Mergelgroeven in het Nederlands Erfgoedbeleid? Dat dit nog geen makkelijke taak is blijkt ook wel uit de toespraak en presentatie van Henk Baas, medewerker van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook zij hebben moeite de mergelgroeven te plaatsen en er een duidelijk waarde aan toe te kennen. Uiteindelijk zijn onze mergelroeves toch ook archeologisch erfgoed! Wellicht kunnen ze voor het toekennen van een waarde gebruik maken van het ‘Framework‘ welke is ontwikkeld door John van Schaik, voorzitter van IES. Zijn presentatie was voor mij toch wel de meest interessante van deze dag.
Het Framework for Analysis kan volgens mij heel goed worden gebruikt om de waarde van een ondergrondse mijnbouw site vast te stellen op basis van alle betrokken disciplines zoals geschiedenis, archeologie, biologie, veiligheid en bv. cultuurhistorie. Dit zijn maar enkele onderwerpen die samen tot een soort ‘waarde kader’ kunnen worden samengevoegd. Ik hoop in de toekomst de gelegenheid te krijgen hier nog uitgebreider op terug te komen.
Werkbezoek aan de Gemeentegrot
Na de sprekers werd het tijd om de Gemeentegrot te bezoeken onder leiding van Kevin Amendt en Wiel Felder. In tegenstelling tot de grote meerderheid van de toeristen kwamen wij niet voor de kerstmarkt aldaar, maar meer om te kijken naar de diverse manieren van mijnbouw en de de huidige toepassing voor toerisme. Zeer interessant om eens niet de platgetreden paden te bezoeken, maar eens die hoeken van de groeve te bekijken, die er nog zo bij liggen alsof de blokbreker gisteren pas vertrokken is. Zo krijgen we bijvoorbeeld te horen dat de Gemeente Valkenburg in de toekomst voorzichtiger en spaarzamer zal zijn met al die herdenkingsplaquettes die nu links en rechts de groeve verfraaien. Niet dat deze niet thuis horen in de groeve, maar men zou de wand wel beter mogen controleren op authentieke opschriften of inkrassingen voordat men ze plaatst. Ook mogen de standhouders van de kerstmarkt geen spijkers meer in de wanden slaan. Het is waarschijnlijk niet genoeg, maar het is een begin.
De mergelgrotten van Hinnisdael te Vechmaal
Na het bezoek aan de Gemeentegrot verplaatsen wij ons naar het Belgische Kanne waar de lunch plaatsvindt. Na de lunch zien we een presentatie van Michiel Dusar over de mergelgrotten van Hinnisdael te Vechmaal – de meest westelijk gelegen mergelgroeves van België. Een zeer interessante presentatie over een groep zeer bijzondere groeves, mede omdat deze met ‘de voeten in het water’ liggen. Ze staan dus, afhankelijk van de tijd van het jaar, gedeeltelijk onder water.
Het probleem van grensoverschrijding van ondergronds erfgoed
Jan Peumans, voorzitter Vlaams Parlement, is de volgende spreker. Zijn thema is ‘Het probleem van grensoverschrijding van ondergronds erfgoed‘. Het gemis aan grensoverschrijdende samenwerking belemmert nou juist de bescherming van ondergronds erfgoed. Zo kan het voorkomen dat op het plateau van Caestert (gedeeld door de grenzen Nederland, Wallonië en Vlaanderen) aan de ene kant het erfgoed verloederd terwijl het aan de andere kant wordt beschermd – fysiek maar 4 meter. Zo bevinden zich in het Nederlandse deel van de Caestertgroeve zeer bijzondere middeleeuwse tekeningen op de wanden die niet worden beschermd. Dit gedeelte van de groeve is alleen over Belgisch grondgebied te bereiken en is eigendom van de ENCI, die dit gedeelte nog steeds zou kunnen afgraven ten behoeve van de kalksteenwinning. Een voor mij onbegrijpelijke en ook onwenselijke situatie.
Hierna wordt het plateau van Caestert en de Caestertgroeve nog bezocht – ondanks dat het weer ons gunstig is (het regent nu niet) is de weg er naar toe een
waar modderbad – het wandeltempo neemt al snel af maar zorgt er wel voor dat ik de gelegenheid krijgt om diverse andere deelnemers te spreken. Zo spreek ik een tijdje met een medewerker van ‘de groene brigade’, verantwoordelijk voor handhaving en toezicht van de Limburgse buitengebieden – dus ook van de mergelgrotten. Ook spreek ik met medewerkers van de Provincie Limburg die voor de veiligheid in de grotten verantwoordelijk zijn. Op deze manier is deze dag ook een ideale gelegenheid om te ‘netwerken’.
Weer terug in Kanne is er nog een korte evaluatieronde o.l.v. John van Schaik. Opvallend is de opmerking van Wiel Miseré (Staatstoezicht op de Mijnen), dat men zich niet druk hoefde te maken over de nieuwe Mijnbouwwet – de Gemeentegrot heeft reeds en nieuwe vergunning ontvangen zonder al te veel moeite – en dat er volgens hem ook voor onderzoekers in het komende jaar genoeg mogelijkheden zijn hun onderzoeken uit te voeren.
De nieuwe Mijnbouwwet
De mijnbouwwet is redelijk moeilijke materie en hieronder volgt een uitleg zoals ik deze heb begrepen, het is dus een persoonlijke interpretatie.
De nieuwe mijnbouwwet volgt in 2010 definitief de oude versie van 1810 op (dus nog uit de tijd van Napoleon). De nieuwe wet is nodig omdat er na diverse ongelukken in de lande (denk aan: Brand Volendam, grote vuurwerkramp Enschede) er de noodzaak was voor de eigenaren hun aansprakelijkheid in te dekken. Iedereen die iets in een groeve organiseert – of het nu een vleermuistelling of toeristische rondleiding betreft – moet in het bezit zijn van een vergunning waaraan zeer strenge eisen aan verbonden zijn. Dit geld dus ook voor de Limburgse mergelgrotten. In het geval van intensief gebruik – zoals bv. in de Gemeentegrot, waar zeker in de maand december meer dan 100.000 bezoekers komen – moet elk risico dus worden uitgebannen. Hoe voorkomt de Gemeente Valkenburg (die in dit geval eigenaar is van de Gemeentegrot) dan dat er ongelukken zouden kunnen gebeuren, zoals bv. stukken mergel die uit het plafond vallen of het verdwalen van toeristen in de uitgestrekte gangen. De eigenaar moet dus een groot pakket aan veiligheidsmaatregelen treffen met alle kosten van dien. In het geval van de Gemeentegrot kan men het nog doorberekenen aan de toerist, maar voor de particuliere eigenaar (meestal extensief gebruik) is dit waarschijnlijk onbetaalbaar. Hij zal een onderzoek moeten doen naar de stevigheid van zijn groeve (denk aan instortingen) en zal dus ook moeten zorgen voor een deugdelijke sluiting van de groeve om te voorkomen dat onbevoegden nog toegang krijgen en dit kost duizenden euro’s. Het gevolg zal zijn dat hij zich nog wel eens zal bedenken voordat hij onderzoekers in zijn groeve laat – waarschijnlijk met gevolg dat de groeve met betonnen muur permanent zal worden gesloten = de goedkoopste oplossing.
Studiedag Ondergrondse Landschappen
Posted by: | CommentsVrijdag 27 November 2009
Open hier de: Uitnodiging studiedag ondergrondse landschappen
Het erfgoedbeleid in Nederland en Vlaanderen ten aanzien van het landschap is op de goede weg. Hoewel de ene regio de andere niet is en het ene gebied wat meer erfgoed heeft dan het andere, bestaat er een universeel besef om het erfgoed dat deel uit maakt van het landschap te inventariseren, te bestuderen, te beschermen en te bewaren en -waar mogelijk door het creëren van draagvlak- het te ontsluiten en uit te dragen.
Eén vorm van erfgoed heeft men echter over het hoofd gezien: de ondergrondse mergelgroeven in het uiterste zuiden van ons land. Ook in de ons omringende landen zijn relicten van historische mijnbouw het stiefkind van de erfgoedbeheerplannen geworden. Omdat dit erfgoed niet als zodanig in de wet staat gedefinieerd, heeft het dientengevolge geen of een zeer complexe status. Toch is deze vorm van erfgoed voor Zuid-Limburg uitermate belangrijk. Hier is het niet alleen het archeologisch erfgoed dat het verleden weerspiegelt, maar in grote mate ook het ondergronds mijnbouwkundig erfgoed zoals (steenkool)mijnen en honderden hectaren ondergrondse landschappen van middeleeuwse steengroeven die het negatief vormen van de bovengrondse historische werkelijkheid.
De studiedag heeft als doel om enige structuur aan te brengen in de problemen rondom terminologie, classificatie en regelgeving met betrekking tot de bescherming van de ondergrondse landschappen en de daar aanwezige erfgoedwaarden.
Daarom houd het Institute Europa Subterranea in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed een studiedag op vrijdag 27 november 2009
De volgende staat o.a. op het programma:
- Werkbezoek aan de Gemeentegrot te Valkenburg o.l.v. Wiel Felder
- De Mergelgrotten van Hinnesdael te Vechmaal
- Werkbezoek aan de Caestertgroeve
“Opsteker” voor John Hageman
Posted by: | CommentsBron: de Ster – 8 mei 2009
John Hageman kan uren over de grotten vertellen. Het is zijn grote passie. Hobbymatig, maar ook als vrijwilliger. Alles wat met de mergelgrotten te maken heeft, heeft de interesse van de Maastrichtenaar. Van het in kaart brengen van de grotten zelf tot gidsen om anderen iets te leren over de gangenstelsels tot het bewerken van mergel. “Ik interesseer me ook voor alles wat loopt en kruipt in de grotten. Zo ben ik nu bezig met een onderzoek naar spinnen.” Geen alledaags vrijwilligerswerk. Hageman vindt het echter fantastisch. “In de grotten is stilte absoluut en is duisternis absoluut. Veel mensen vinden dat griezelig, ik vind het geweldig.” Daarnaast zet hij zich in voor de stichting ir. D.C. van Schaïk waarvoor hij een groeve beheert. Jarenlang was Hageman leraar op een basisschool in Maastricht. Geen rustige baan, maar toch vond hij nog genoeg tijd om verschillende vrijwilligersactiviteiten
tedoen. Dat begon al jaren geleden: jeugdwerk, kindervakantiewerk, voorzitter van de ouderraad, redacteur en oprichter van de dorpskrant enzovoorts.
Het Opstekertje is hem op het lijf geschreven. “Ach, ik wil gewoon graag iets te doen hebben.”
Jean Lotonne, 18 jaar en 21 dagen oud – Of toch ‘Jean Clotenne’?
Posted by: | CommentsAfgelopen zondag heb ik in Caestert onderstaande foto gemaakt. Helaas kom ik met mijn MAVO-Frans niet zo ver, dus was het een geluk dat ik een Franstalige collega bij me had.
Verder is me opgevallen dat als ik een foto maak van een opschrift op mergel (bv zoals deze in rood krijt) ik deze achteraf moeilijk te bekijken vind. Na een beetje ‘kloemmele’ met een fotobewerkingsprogramma, kwam ik erachter dat de tekst beter te lezen is in foto-negatief zoals onder is afgebeeld (ieder bewerkingsprogramma heeft deze functie wel in huis)


Nu verder met de tekst. Er staat het volgende:
“Jean Clotenne, âge de 18 anne veingte un jours sa fait six mille 5 cent et ceptante quatre jours et viengt six mille septe cent et douze heurs et huit jours, 1801 Jean Clotenne de lanaije”
Vertaald in het Nederlands staat er het volgende:
“Jean Clotenne, 18 jaar en 21 dagen oud, dat zijn 6574 dagen en (“dont” = waarvan) 26712 uur. 1801 Jean de lanaye”
Dus Jean Clotenne uit Lanaye (dus vlak naast de deur) was hier in 1801 en berekende daarbij hoeveel dagen en uren hij precies oud was op dat moment. Waarom? ik zou het niet weten, maar een leuk en interessant opschrift is het wel. Wie was Jean? waarom kon hij zo goed schrijven en rekenen (daarbij ga ik er even vanuit, dat dat niet iedereen kon in 1801) Wellicht was hij van adel of was hij een priester of geestelijke (in opleiding).
Misschien weet iemand het wel, dus verdere info is welkom!
Update: Clotenne i.p.v. Lotonne!
Afgelopen vrijdag (29 febr.´08) bezocht ik Ternaaien Boven en fotografeerde ik onderstaand opschrift. Er staat duidelijk ‘Jean Clotenne’, terwijl ik eerst dacht dat hij de letter ‘L’ gewoon met een mooie krul was begonnen. Tevens is de letter na de ‘T’ een ‘E’ ipv een ‘O’ Zijn achternaam is dus Clotenne ipv Lotonne. Bij deze dus aangepast. Helaas is het jaartal niet duidelijk te zien. Begint met 18..
Jean bezocht dus niet alleen Caestert, maar ook Ternaaien boven. Nu vraag ik mij natuurlijk af of hij ook in ‘beneden’ op bezoek kwam.
Verder onderzoek volgt.
Onderzoek Limburgse grotten in gevaar
Posted by: | CommentsBron: L1 nieuws 7 september 2007
Vandalisme en verloedering dreigen voor bijna 300 grotten in Limburg.
Bezoekers van grotten lopen daardoor meer gevaar. Dat is volgens grotbeheerders het doemscenario als de regels rondom het nieuwe Mijnbouwbesluit niet soepeler worden toegepast.
Een klein deel van de grotten wordt gebruikt voor toeristische doeleinden. Maar de meeste grotten zijn voornamelijk
Het betreden van die grotten wordt door de strenge regels te moeilijk. Vrijwilligers die het beheer en onderzoek uitvoeren zullen afhaken, voorspellen de beherende instanties. De grotten zijn daarmee weer overgeleverd aan vandalen en feestgangers. Het gevaar in de grotten zal toenemen, zeggen zij.
Zie onderstaande links:
- Dit artikel is in aangepaste wijze overgenomen uit Delft Integraal 98.4, een uitgave van de Technische Universiteit Delft, met toestemming van de auteurPhilip Broos (19 jan 1999). Aanleiding van het artikel was het onderzoek van Roland Bekendam naar de stabiliteit en naar instortingen van de Limburgse ondergrondse kalksteengroeven. Internetbewerking voor “De Limburgse mergelgroeven”: Ed Stevenhagen.
Het gat links van de Enci ingang
Posted by: | CommentsOnderstaande stukje vond ik in verkorte vorm op groups.msn.com/mergelblok
en vond het interessant, aangezien ook ik me reeds lang afvraag wat er in deze gang te zien is.
Marcel had er geen probleem mee het stukje op mijn weblog te publiceren en leverde ook de foto´s. Hiervoor mijn dank!
Telkens als we richting Peti-Lanaye rijden komen we langs de Enci ingang met boven in de wand een groot gat. Steeds weer stellen we ons de vraag
Woensdag morgen hebben we afgesproken om ons te laten afzakken in het gat, na het zoeken van een touw zijn we om 10u00 op weg naar het gat.
In mijn gedachten zijn we de onbekende gangen al aan het afspeuren naar bijzonder opschriften en tekeningen, wie weet?
Aangekomen bij de Slavante parkeren wij hier onze fietsen en gaan te voet verder, via de Gradtbergh lopen we richten gat. Mmm, hier stond toch vroeger een ijzeren mast? Afgezaagd, alleen nog 4 resten van poten zijn te zien.
Aangekomen bij de richel van het gat zoeken we een boompje uit waar we het touw aan kunnen vast knopen. Klimgordels aan en we laten ons afzakken naar beneden.
Onder ons rijden der vrachtwagens van de Enci heen en weer zonder dat de chauffeurs iets in de gaten hebben, ik hang te bengelen in het gat. Ik kijk omhoog om Peter te roepen, ahah mergel in mijn ogen.
Peter komt ook omlaag, we kijken elkaar aan en beginnen te lachen? 10 meter? Wat vanaf de weg lijkt op een groot diep systeem, maar is in werkelijkheid maar een groot gat van 10 meter diep met heel veel vogelen poep!
Na het bekijken van de paar opschriften en het maken van foto’s, hebben we onder het genot van een bak koffie eens de activiteiten van de Enci eens van een andere kant bekeken.
Onze vraag was nu beantwoord, “loopt het nu door of niet”.
Marcel en Peter



