In de Duisternis: Jacobus Craandijk in Valkenburg 1876
ByBron: Limburgs Dagblad van zaterdag 22 september 2007 – Guus Urlings
“Rondom de opening hangt een digt gordijn van woekerplanten en rijzige dennen wortelen boven de helling, waarin zij is uitgebroken. Niet aanmatigend dringt zij zich op den voorgrond, niet met luidruchtigen opheft tracht zij de opmerkzaamheid tot zich te trekken. Veeleer schijnt zij den nieuwsgierige terug te wijzen en denonbescheidene af te schrikken. Zij noodigt niet, zij belooft niets, zij jaagt een huivering door de leden, door de koude, die van haar uitgaat, door de duisternis, waarin zij den blik doet slaan.”
Heeft dominee Jacobus Craandijk, als hij in 1876 deze notitie maakt in zijn reisdagboek, net de toegangsweg tot de hel ontdekt, of toch op z´n minst die tot het vagevuur?
Nee. Bij het afdalen van de Cauberg, na een wandeling door de omgeving op de weg terug naar zijn Valkenburgse hotel, heeft hij de ingang van de Gemeentegrot in het vizier gekregen. Vandaag de dag valt die entree nauwelijks over het hoofd te zien, wat geen wonder mag heten, omdat de Gemeentegrot een van de toeristische troefkaarten van Valkenburg is. 
Maar in Craandijks tijd was toerisme nog een relatief nieuwe uitvinding en de ketelmuziek waarmee Valkenburg zich later op de vakantiemarkt zou gaan profileren, was nog niet meer dan een beschaafd deuntje. Wie kende desijds de Valkenburgse Gemeentegrot? Buiten Valkenburg zo goed als niemand.
“Onze reisboeken spreken alleen van den St. Pietersberg bij Maastricht. Als wij te Maastricht zijn, dan ja, eischt reizigerspligt een bezoek aan den St. Pietersberg. Maar van deze grot hoorden wij voor het eerst.”
….”Maar van deze grot hoorden wij voor het eerst.”…
Misschien dat hij daarom twijfelt. Zal hij naar binnen gaan om het volstrekt onbekende en ganschelijk onberoemde te verkennen? Zal het de moeite lonen?
De nieuwsgierigheid wint. En dus staat Craandijk na enig wikken en wegen toch bij de ingang van de grot, samen met den ouden gids Hergergs, in de stratblokken voor een ondergrondse ontdekkingstocht. Een tocht die uiteindelijk liefst acht pagina´s in beslag zal nemen. Craandijk valt van de ene verbazing in de andere. Verbazing over de uitgestrektheid van de doolhof van mergelgangen – “Wat zijn er velen! Hoe zonderling kruisen zij elkander! Hoe lang zou het wel duren, eer wij ze allen hadden doorkruist?” – en over de talrijke namen en opschriften die de wanden sieren. Verbazing over “dien wonderbaren Drie-drup, door den droppel die met regelmatige tusschenpoozen uit een kegelvormigen steen aan het gewelf in e uitgeholde waterkom valt”, en over het jarenlange zwoegen en zweten waarmee het kilometerslange gangenstelsel in de mergel is uitgehakt. “Hard werk dat schraal werd beloond”.
Hij is onder de indruk, de dominee. Het is een heel andere wereld, hier, onder de grond. De geluiden van de buitenwereldverstommen, de gelijkmatige temperatuur verjaagt alle besefvan seizoenen, het flakkerende licht van de fakkelsbegoochelt de zinnen, het gevoel voor tijd raakt op een dwaalspoor. “Met ontzag luisteren wij naar wat ons de gesteenten verhalen van dien geheimzinnigen vóórtijd, toen de zee hier golfde(…),“toen milioenenlevende wezens, wier versteende overblijfsels de bergen in hun schoot bewaren, de groote wateren bevolkten. Waar zulke stemmen spreken, daar zwijgen wij eerbiedig.”
Dan is er, uren later, de buitenlucht. En toch ook de opluchting. Want hoe indrukwekkend het ook was, in de gewesten der duisternis en der roerlooze stilte, toch voelt Craandijk zich heerlijk, nee, zelfs “dubbel heerlijk”, als hij de blauwe hemel weer boven zich ziet. Alsof hij buiten plotseling veel meer lééft…